Oude belofte

Ruim 3 jaar terug heeft de Boekenbeurs eens gestaan met een aantal kramen op het Bruegelliaans Festijn te Losser. Hier werd ons een gedicht voorgedragen door een wandelende dichter. Wij zouden dit gedicht op de website plaatsen als wij het zouden krijgen. Dit is al een tijdje zo, maar het heeft even geduurd alvorens wij het konden plaatsen. Het gedicht moest namelijk overgetypt worden en dat moest wel met een zekere zorg gebeuren. Het gedicht is namelijk in oud Nederlands geschreven… en het is van Pieter Boddaert. Hierbij het gedicht (licht erotisch….).

HOE IK MINNEN LEERDE.

Ik ging eens ’s zoomers, gantsch alleen,
Deur bosschen en deur daalen heen, daar goede herders woonden,
Daar lieve duijven, zagt van aard, deur trouwen min’ te zaam gepaard,
Op ’t huuw’lijksnestjen troonden.
Daar kwam een meijsjen, wonder schoon, met frissche roozen op heur’ koon,
Mij naad’ren op de weegen. Heur’ oogjens straalden, vol van pragt,
Als een’ vergeet-mij-niet zoo zagt, mij reeds van verre teegen.
Nu wist ik niet, wat liefde was: ik was nog agttien jaaren pas.
Ik stond haar aan te staaren. Ik zag haar strak in ’t gloeijend oog
En wat er tóén in mij bewoog, vergeet ik in geen’ jaaren.
En wat zij eind’lijk tot mij sprak, gevoeld’ ik dat een gloed ontstak,
Van booven tot beneden. Mijn’ zin was als op eens verdoofd;
Het bonsd’ en klopte in mijn hoofd en dan weer deur mijn’ leeden.
Zij zag mij goedig lachgend aan en vroeg “of ik met heur wou’ gaan?
Zij moest’ was molslaa plukken.” ‘k Sloeg om heur middeltjen mijn’ arm,
Heur handjen was zoo zagt en warm – ik dorst het zagtjens drukken.
Ik drukte ’t handjen keer op keer en – ’t lieven meijsjen drukte weêr,
Zoo liefjens en zoo teeder. Zij zag ter sluijks, zoo nu en dan,
Mij smagtend en ook lonkend an – en dan in ‘t jakjen needer.
Ook ik keek naar heur’ boezem heen, zoo blank en glad als elpenbeen.
Zij bloosde, toen zij ’t merkte. Ik zag, zoo draa ‘k weer kijken dorst,
Hoe zij, op eens, heur lieven borst in ’t witten doekjen werkte.
Ik zweeg, maar bijnaa eeven vlug vloog ’t oog weer naar dien doek terug,
Die golvend wierd’ bewoogen. Dat doekjen vuurde mij slegts aan,
Om ook daar in de blik te slaan beslooten voor mijn’ oogen.
Zoo gingen wij een poosjen voort en spraaken nog geen enkel woord
Voor dat wij needer zaaten. Dan gat ik haar weer stil een’ druk
En ging van liefd’ en zoet geluk zoo langzaam aan het praaten.
Wij zaaten op het zagte mos. Daar maakte ik heur doekjen los,
Steeds gloeijend van verlangen. Ik hief heur jakjen stil om hoog,
Zij sloot al bloozende het oog. Ik kuste borst en wangen.
Ik wiegde mij op heuren schoot en woelde gantsch heur’ boezem bloot.
Wij kusten en in ’t kusschen, ter wijl ik aan heur’ boezem hong,
Sloot zig heur tongetje aan mijn’ tong, al zuijgend ondertussen.
Zij weêrde zig wel, af en toe, dog ‘k werd het zoete spel niet moe.
Ik boog mij op haar needer. Heel langzaam klom mijn stoute hand
Van ’t kuijtjen langs den kousenband tot ’t knietjen, rond en teeder.
Zagt plooijde ik heur’ rok op zij – géén hoepelrok weêrstreefde mij!
Mijn hand bleef voelend speelen langs buijk en dijtjens, hier en daar
En mogt het kort en kroesig haar betasten en bestreelen.
Heur heijligdom, zoo poezel rond, heur’ rozerode ondermond,
Met krullend dons omgeeven, werd, nog nooijt deur een’ man bevlekt,
Met mijne kusschen ooverdekt – en ’t deed van lust haar beeven.
En toen zij eijnd’lijk, kragtloos, vrij, mij álles liet, toen z’ onder mij
Zig wrong van min-genoegen, toen blaakte mij het kookend bloed
En deed de felste liefde – gloed mij naar den wellust zwoegen!!
Zoo leerd’ ik wat men liefde heet en zints dat zaalig uurtjen weet
Ik mijn lust niet te temmen. De gloed, die tseedert niet verdween,
Jaagt mij naar alle meijsjens heen, om z’ aan mijn borst te klemmen.
Koomt meijsjens, die haast vrouwen zijt, koomt, smaakt met mij den zaaligheid
Der min’, laat ’t ons gevoelen. Laat ons het vuur, dat u verteert,
Deur liefde maateloos vermeêrt, in zoet’ omarming koelen….
Den zeer erootischen heer
Pieter Boddaert Jr.

Comments are closed.